Kosten bij beleggen zijn onzichtbaar. Ze worden niet afgeschreven van je rekening; ze zitten verwerkt in de koers. Daardoor voelt een procent als niets. Ik heb het één keer goed uitgerekend en sindsdien is het het eerste waar ik naar kijk.
Ter herinnering: onderstaande sommen zijn rekenvoorbeelden met een aangenomen rendement, geen voorspelling. Zie de disclaimer.
De som
Uitgangspunten: €150 per maand, twintig jaar lang, en een aangenomen brutorendement van 6% per jaar. Dat rendement is een aanname om het verschil zichtbaar te maken — de werkelijkheid is elk jaar anders.
- Bij 0,15% kosten: je legt €36.000 in en komt uit op ongeveer €68.300.
- Bij 1,2% kosten: zelfde inleg, ongeveer €60.900.
Verschil: ruwweg €7.400. Op een inleg van €36.000. Dat is meer dan een vijfde van alles wat je in twintig jaar hebt ingelegd, verdwenen aan een verschil van iets meer dan één procentpunt.
Waarom het zo hard aankomt
Omdat de kosten elk jaar over het hele bedrag gaan, inclusief het rendement van eerdere jaren. In jaar één betaal je 1,2% over een klein bedrag; in jaar twintig over het hele opgebouwde vermogen. Het is samengestelde groei, maar dan de verkeerde kant op.
Welke kosten er zijn
- Lopende fondskosten. Het percentage dat het fonds zelf rekent. Bij brede indexfondsen zie je vaak iets tussen de 0,1% en 0,3%; bij actief beheerde fondsen ligt het meestal een stuk hoger.
- Kosten van je broker of bank. Soms een percentage over je belegd vermogen, soms een vast bedrag per transactie, soms een servicevergoeding. Dit is de post waar de verschillen tussen aanbieders het grootst zijn.
- Transactiekosten. Per aan- of verkoop. Bij maandelijks inleggen met kleine bedragen kan een vast bedrag per transactie relatief zwaar wegen: €2 op een inleg van €50 is 4% weg voordat je begint.
- Valutakosten. Als er omgerekend moet worden naar een andere munt.
Wat ik heb veranderd
Van maandelijks naar per kwartaal inleggen. Klinkt tegenstrijdig, maar bij een vast bedrag per transactie is vier keer €450 goedkoper dan twaalf keer €150. Bij mijn aanbieder scheelde dat ongeveer €19 per jaar. Werkt je aanbieder met een percentage, dan maakt het niets uit en kun je gerust maandelijks blijven doen.
Één fonds in plaats van drie. Ik had er in het begin drie "voor de spreiding", terwijl er in dat ene wereldwijde fonds al duizenden bedrijven zitten. Drie fondsen betekende drie keer transactiekosten voor spreiding die ik al had.
De totale kosten opzoeken in plaats van schatten. De meeste aanbieders zijn verplicht een kostenoverzicht te geven waarin alles bij elkaar staat. Dat is het getal dat telt, niet alleen de TER van het fonds.
Waar ik níét op ga zitten
Het verschil tussen 0,12% en 0,18% is over twintig jaar een paar honderd euro. Dat is niet nul, maar het is niet de moeite om er een middag aan te besteden of om ervoor over te stappen. De grote winst zit in het verschil tussen "onder de 0,3%" en "boven de 1%". Zit je aan de goede kant, dan is het klaar.
Kijk één keer per jaar naar je kostenoverzicht — hetzelfde ritme als bij de vaste lasten. Het is dezelfde oefening, alleen op een plek waar niemand kijkt.
